Visbroed grootbrengen

Andrey Nikitin / iStock / Getty Images Plus via Getty Images
Eindelijk nakomelingen! We leggen uit hoe je de wriemelende kleine aquariumnieuwkomers beschermt tegen hongerige monden en andere gevaren en hoe je ze succesvol grootbrengt.
Hoe planten vissen zich voort?
De meeste vissen planten zich voort doordat het vrouwtje de eitjes afzet aan waterplanten of op de bodem van het water (kleefbroeders) en het mannetje onmiddellijk daarna de eitjes bevrucht. Bij de vrijbroeders gebeurt de voortplanting op dezelfde manier, het enige verschil is dat zij hun eitjes niet ergens aan vasthechten, maar in het open water loslaten. Daarnaast zijn er ook levendbarende vissen: na de bevruchting ontwikkelen de eitjes zich in de baarmoeder tot jonge vissen. Tijdens het leggen doorbreken de jonge vissen hun eierschaal en zijn ze meteen zwemvaardig. Enkele bijzonder populaire en voortplantingslustige aquariumvissen zijn levendbarend. Denk maar aan guppy’s, molly’s en zwaarddragers. Maar voordat je jonge vissen gaat kweken, moet je jezelf een belangrijke vraag stellen: wat doe je met al die vissen? Is je aquarium groot genoeg? Schaf je meer bakken aan? Of heb je vrienden en familie die blij zijn met je kweek?
Broedzorg is niet voor elke vis weggelegd
Sommige vissen doen niet aan broedzorg. Hun strategie is om een groot aantal eitjes te leggen en het broedsel aan zijn lot over te laten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de karperzalmen. Andere bouwen schuimnesten, zoals de labyrintvissen, waartoe de in aquaria populaire Siamese kempvissen behoren. De nesten bestaan uit met secreet omhulde luchtbelletjes, wat hen de naam schuimnesten heeft opgeleverd. Bij de kempvissen bouwen de mannetjes de schuimnesten, die ze meestal aan een drijvend plantendek verankeren. De mannetjes bewaken de nesten tot hun jongen het grootste gevaar zijn ontgroeid. Sommige vissen – waaronder de cichliden – hebben nog een andere slimme truuk voor de broedzorg bedacht: de bekbroeders nemen ofwel hun bevruchte eitjes of hun uitgekomen jongen in de bek om ze tegen roofdieren te beschermen.
Mysterieuze verdwijningen
Afhankelijk van hoe je vissen zich voortplanten en hoe intensief ze broedzorg vertonen, zijn hun jongen op verschillende tijdstippen blootgesteld aan verschillende gevaren: bekbroeders houden hun nakomelingen in het begin nauwlettend in de gaten, maar na een bepaalde tijd worden de kleine vissen te groot voor de bek en moeten ze alleen in het aquarium zien te overleven. Maar bij vissoorten die geen broedzorg vertonen, zijn eitjes en jongen overgeleverd aan de hongerige monden van de andere aquariumbewoners. Bij guppy’s, molly’s en platy’s moet je zelfs de jongen van de ouders scheiden, omdat deze vissen zelfs hun eigen jongen opeten. Maar ook de aquariumtechniek kan een gevaar vormen. Zo kan het gebeuren dat kleine vissen de buitenfilter worden ingezogen. Als preventieve maatregel moet je daarom een fijnmazig net voor de zuigopening plaatsen en dit regelmatig reinigen om verstopping te voorkomen. Ook met de inrichting van je aquarium kun je de jongen beschermen: als je voor voldoende schuilplaatsen zorgt, beperk je het kannibalisme. Met wortels, stenen en planten creëer je toevluchtsoorden voor de bedreigde nakomelingen.
Een rustig plekje
Voor sommige soorten kunnen je schuilplaatsen echter niet creatief genoeg zijn. Vooral scalaren en cichliden zijn beruchte rovers en weten Nemo wel te vinden, waar hij zich ook verbergt. In dit geval helpt een apart kweekbakje. Het kweekbakje mag sober zijn ingericht: een bak van minstens 54 liter met een kleine staafverwarmer, een filter, een dunne laag kalkvrij zand en een paar fijnbladige planten en stenen is voldoende voor de nakomelingen. Voeg daar een paar plukjes javamos en drijfplanten aan toe, en je kweekbak is klaar! Belangrijk is dat de bak op een rustige plek staat en je het water vaak ververst. Een alternatief voor de kweekbak is een afzetbak. Dit kleine inhangbakje wordt in je aquarium geplaatst en dient als veilig kweekstation. Voor vismoeders die hun nakomelingen maar al te graag opeten, zijn er grotere afzetbakjes die de moeder met een rooster van de jongen scheiden.
Verhuizing naar het kweekbakje
Ofwel plaats je direct een paartje dat klaar is om te paaien – of bij levendbarende vissen een zwanger vrouwtje – in het kweekbakje, of je wacht tot de eitjes in het aquarium zijn afgezet of de jonge vissen zijn uitgekomen. Om te voorkomen dat de eieren, larven of jonge vissen in contact komen met lucht, moet je ze verplaatsen in een met water gevulde bak. Het kweekbakje wordt gevuld met aquariumwater en moet voordat je het voor de eerste keer gebruikt, enkele weken in gebruik zijn. Zodra de vissen groter zijn dan de bek van de grootste vis, kunnen ze naar het hoofdaquarium worden overgebracht.
Voer voor de vissen!
De eerste dagen na het uitkomen voeden de jonge vissen zich met hun dooierzak – daarna staan ze er alleen voor. Piepkleine nakomelingen zoals die van zalmen, barbelen en labyrintvissen hebben in het begin vloeibaar voer of stofvoer nodig. Grotere soorten zoals cichliden of tandkarpers zijn vanaf het begin blij met kleine kreeftlarven. Voor bijna alle vissoorten zijn tijdens de opfok eencelligen en pekelkreeftjes geschikt, die je beide uitstekend zelf kunt kweken. En ook voor de nakomelingen in het aquarium geldt: liever vaker maar zuinig voeren!


